Castratie: Wel of niet doen?
Dit artikel is geschreven door Bob Carriere van Dierenkliniek Ermelo.
Bob Carriere heeft in 1988 samen met zijn vrouw Dierenkliniek Ermelo
opgericht. Dit is een zeer moderne kliniek voor gezelschapsdieren die
je het beste kan vergelijken met een compleet (dieren)ziekenhuis.
Enkele ziektes bij hond en kat werden voor het eerst in Nederland bij
deze kliniek gediagnosticeerd.
Je hoort het geregeld: "laat
hem maar castreren dan gaat het wel over". Met "hem" bedoelt men de reu
en met "het" worden diverse gedragsproblemen bedoeld. Agressie naar
andere honden en/of andere mensen, weglopen, het op de meest vervelende
plaatsen de poot oplichten, hypersexueel gedrag etc. Vaak wordt deze
ingreep als een soort wondermiddel toegepast. Dat de resultaten niet
altijd even bevredigend zijn wordt als jammer beschouwd. Toch kan
castratie een goed hulpmiddel zijn bij gedragstherapie of als middel om
een klinisch probleem te verhelpen.
Als we allereerst naar de
klinische problemen kijken komen we een aantal ziektes tegen bij de reu
die verholpen of verbeterd kunnen worden door castratie.
Prostaatvergroting, voorhuidontsteking en tumoren in de teelbal worden
positief beinvloed door castratie.
Bij de gedragsproblemen
liggen de zaken iets anders. Het mannelijk geslachtshormoon testosteron
heeft in belangrijke mate invloed op het gedrag van een reu. Tijdens
het leven, en zelfs al in de baarmoeder van de teef, heeft dit hormoon
invloed op het ontstaan van "typ?isch mannelijke hersenen". Terwijl
ontbreken van dit hormoon, zoals bij teven het geval is, zal leiden tot
het ontstaan van "vrouwelijke hersenen". Hierdoor ontwikkelen zich
gedragspatronen die specifiek zijn voor mannelijke dieren en die
verschillen van vrouwelijke dieren, bijvoorbeeld de specifieke manier
waarop reuen urineren. Dit "pootje lichten" komt echter ook af en toe
bij teven voor. Ook ziet men weleens teven, vooral als ze (bijna) loops
zijn, een andere teef bestijgen en deze 'berijden'.
Maar al met
al is dit gedrag typisch voor een reu en niet voor een teef.
Testosteron heeft dus nogal wat invloed op gedrag, maar ook andere
invloeden en met name leerprocessen spelen een grote rol in de
ontwikkeling van gedrag. Denk maar eens aan de rang-laagste hond in een
roedel die niet tot pootje lichten komt bij het urineren omdat de
dominantere honden in die roedel dat niet toestaan. Ook komt het voor
dat een reu in zo'n zelfde situatie nooit tot dekken komt. Verander
roedel in huisgezin en zie hier weer andere invloeden op de
ontwikkeling van het gedrag van een hond. Bij gedragsproblemen moet men
daarom altijd de omgeving van de hond bekijken en evalueren in hoeverre
deze meespeelt in de ontwikkeling van het gedragsprobleem.
Vooral
bij agressieproblemen laat men reuen nogal eens castreren. Uit diverse
onderzoeken blijkt echter dat slechts enkele van de verschillende
soorten agressie afnemen na castratie en dan nog niet eens volledig.
Het meeste effect lijkt castratie te hebben op agressie naar andere
reuen, in ongeveer 60% van de gevallen neemt deze vorm van agressie na
castratie af. Ook agressie buitenshuis naar teven en vreemde mensen
neemt af, maar minder vaak: slechts in 25% van deze probleemgevallen
lijkt castratie te helpen.
Angst-geinduceerde agressie is geen
indicatie voor castratie. Uit geen van de onderzoeken blijkt dat
castratie een oplossing voor dit soort gedrag zou kunnen zijn. Bij dit
type agressie spelen vaak veel andere dingen mee, zoals slech?te
socialisatie of bepaalde traumatische erva?ringen. Een van de
gedragsproblemen die wel aanzienlijk verbe?tert, is weglopen en/of
zwerven. Ook het urinemerken, het "pootje lichten" op diverse plaatsen
(en dan met name in huis) vermindert sterk na castratie.
Seksueel
gedrag ten opzichte van andere reuen zou eveneens behoorlijk
verminderen na castratie. Verder kan castratie overwogen worden bij
gedragsproblemen die ontstaan door seksueel gedrag naar teven en/of
naar mensen toe. Uitsluitend castratie heeft dus wel effect op het
gedragsprobleem, maar het effect is beduidend groter als tegelijkertijd
gestart wordt met gedragstherapie. Het positieve resultaat wordt bijna
verdubbeld als beide therapieen toegepast worden. De gedragstherapie
zou met behulp van een gedragstherapeut opgestart kunnen worden, onder
diens begeleiding kan dan bepaald worden of castratie in dat specifieke
geval van nut zou kunnen zijn.
Verder heeft castratie nog enige
invloed op de verdere lichamelijke gesteldheid van de reu. Doordat het
wegvallen van testosteron zorgt voor een verhoogde etensdrang en het
energieverbruik van de hond vermindert, kan de reu dikker worden na
castratie. De voeropname en het gewicht van de hond moet in de gaten
worden gehouden. Verder neemt een aantal eigenaren na castratie van de
reu een wat verhoogde haaruitval waar, dit wordt waarschijnlijk
veroorzaakt doordat testosteron een haargroeibevorderende werking heeft
(door een positieve invloed op de eiwitsynthese) en deze werking valt
na castratie weg.
Dit waren in het kort de 'voors' en 'tegens'
van castratie bij reuen. Castratie kan een positief effect hebben op
een aantal lichamelijke problemen en op bepaalde gedragsproblemen.
Vooral bij dit laatste zal uitsluitend castratie echter nooit DE
oplossing zijn.
|